Skip directly to content

Hoe wordt de diagnose gesteld

Om vast te stellen of uw kind een tekort aan groeihormoon heeft, worden verschillende onderzoeken uitgevoerd. Zo zal een röntgenfoto van de linkerhand van het kind worden gemaakt om de botleeftijd te meten. Het is belangrijk te weten of de botleeftijd overeenkomt met de werkelijke leeftijd van het kind. Als de botleeftijd lager uitvalt, kan dat eventueel wijzen op een tekort aan groeihormoon. Verder wordt de aanmaak van groeihormoon getest. Normaal gesproken geeft de hypofyse dag en nacht groeihormoon af aan het lichaam, in steeds wisselende hoeveelheden. De pieken liggen 's avonds en 's nachts.

Met bloedonderzoek is wel te bepalen hoeveel groeihormoon er op dat moment in het bloed zit, maar niet of er sprake is van een groeihormoontekort. Om dat te bepalen, krijgt het kind een infuus met een stof die de hypofyse prikkelt om groeihormoon af te geven. Tijdens de test wordt regelmatig bloed afgenomen. Wanneer na herhaaldelijk testen blijkt dat de hypofyse onvoldoende reageert en te weinig groeihormoon afgeeft, kan de specialist met zekerheid zeggen dat het kind een groeihormoontekort heeft. Soms zal de arts nog een MRI-scan van de hersenen laten maken. Dat gebeurt alleen als het vermoeden bestaat dat het tekort aan groeihormoon is ontstaan doordat de hypofyse beschadigd is of zich niet goed heeft ontwikkeld.