Skip directly to content

Hoe wordt de diagnose gesteld

Bij de geboorte zal de arts de diagnose SGA stellen als de lengte en/of het gewicht van de baby onder de onderste lijn, min 2SD, in de groeicurve (jongens en meisjes) liggen. In de groeicurve worden vanaf de geboorte en in de jaren daarna regelmatig gewicht en lengte van het kind genoteerd. Hieruit valt af te lezen of het kind zich naar wens ontwikkelt en wellicht spontaan de achterstand in lengte en gewicht inhaalt. Het consultatiebureau en de arts kunnen de toename in groei en gewicht zo nauwlettend in de gaten houden.

Is uw kind drie jaar en ligt de lengte nog steeds onder de onderste lijn en zijn er geen tekenen van inhaalgroei, dan zal uw huisarts of de arts van het consultatiebureau u het advies geven om naar een kinderarts te gaan. De kinderarts zal op verschillende manieren proberen te achterhalen wat de groeiachterstand veroorzaakt. Meten, wegen, een röntgenfoto van de hand (om de botleeftijd te bepalen) en bloedonderzoek moeten in eerste instantie uitsluitsel geven. De kinderarts onderzoekt zo of er een oorzaak is voor de verminderde groei, zoals een darmziekte waardoor voeding slecht wordt opgenomen en de groei achterblijft. Aangeboren aandoeningen zoals botziektes, of ziektes die een kind later ontwikkelt, kunnen ook een groeiachterstand opleveren. De reden van het klein blijven, komt niet altijd vast te staan.

Leeftijd versus botleeftijd
Van kinderen die te klein blijven, wordt vaak een röntgenfoto van de linkerhand genomen. Dat gebeurt om de botleeftijd vast te stellen. Een kind kan bijvoorbeeld al vier jaar zijn, maar de botleeftijd van drie hebben. Als een kind is uitgegroeid -in of na de puberteit- dan is op de röntgenfoto te zien dat de groeischijven van de hand zich hebben gesloten. Er is dan geen groei meer mogelijk.